Geen hutje op de hei

maison

Het huis is alleen via een stenen trap te bereiken.

Op de Portengense dijk die wandelaars langs het water de Groote Heicop naar Kockengen dirigeert, staat een klein paleis. Het domein van Roel en Mirjam Voorn. Naar het schijnt is dit het mooiste huis van de buurtschap. 

Op het erf waait een gure wind en er is niets om die tegen te houden. Een fluitend geluid kruipt over de polder. Het huis is ongeveer vierhonderd meter verwijderd van de rest van de buurtschap en is gebouwd op een plateau. Vanuit alle kanten biedt het uitzicht over het vlakke land. Op het erf grazen kleine bruine schapen en spelen ganzen met de kalkoen. Ondanks de afgelegen ligging is het er niet altijd rustig. Het pad naast het huis is een NS-wandelroute en daar wordt gedurende de zomer gretig gebruik van gemaakt.

De ontstaansgeschiedenis van het optrekje is een bijzondere. Ooit een molen, nu een statig bouwwerk. Volle fotoboeken worden opengeslagen aan de grote eettafel, voor Roel en Mirjam is het meer dan nostalgie. Mirjam, trots: “In 1926 werd de molen afgebroken en veranderde die in een gemaal. Naast het gemaal werd een klein huisje gebouwd. Dat werd al snel gekraakt door jongeren.” In 1990 zijn de rommelige panden gekocht en opgeknapt, maar uiteindelijk bleef alleen het gemaal overeind. Ernaast verrees een groot woonhuis.

Roel: ,,De bouw van dit alles was een Portengens project. Zowel de metselaar, tekenaar als aannemer kwamen uit de buurtschap.” Bouwmaterialen werden met een trekker naar de bouwput vervoerd, een oprit was er nog niet. Alleen per boot kon het huis worden bereikt, en dat was tegen het zere been van Mirjam. “Als het zo doorgaat moeten we de hele boel maar verkopen.” Het huis is nu te bereiken via een slingerend, stoffig pad.

De eerste steen van het huis is een grijze, waarop de handtekening van Roels vader staat. Kort na het leggen hiervan, overleed hij. “Mijn vader had veel tijd in het huis gestoken. Hij kwam hier halve dagen klussen, maar het eindresultaat heeft hij helaas nooit kunnen zien.” Het verhaal hoort bij de geschiedenis van het pand, net als Markies, een excentrieke man die tot 1971 naast het gemaal woonde. Markies werd oud en sleet zijn laatste dagen in een bejaardentehuis in Kockengen. Op een veiling werd het huis op opbod verkocht aan een kluizenaar. “Hij joeg iedere voorbijganger van zijn erf af. Stoer stond hij met zijn geweer in de deuropening en riep hij: ‘kom niet dichterbij, maak dat je wegkomt, anders schiet ik je van de dijk af.’”

“Als mensen zijn erf betraden, stond hij met een geweer in de deuropening: ‘kom niet dichterbij, maak dat je wegkomt, anders knal ik je van de dijk af'”

Het huis is nu bijna af en behoeft nog weinig kluswerk. Het stel is meer dan tevreden. Roel: “Het uitzicht is overweldigend. We kunnen alles zien: de brug, Kockengen, koeien, een natuurreservaat en de autoweg. Wij hebben geen schilderijen nodig, elk raam is een kunstwerk. Wel staat er erg veel wind. Je gaat er schuin van lopen.”

Voortzetten blog

Beste lezers,

Waar ik in mijn vorige blogpost schreef dat ik met een ‘lagere frequentie’ zal gaan posten bleek dat niet makkelijk te zijn. Op school is het druk. Een blog onderhouden zou mogelijk zijn, maar een blog waarvoor je twee uur op de fiets ziet gaat helaas niet samen met het huidige schoolwerk. Daarom hoop ik dat er na de winter rustiger weken zullen aanbreken zodat ik dit blog flink kan updaten. Jullie horen van mij.

Vriendelijke groeten,

Tomas van der Heijden

Korte pauze

Allerbeste lezers,

Na vier weken lang te hebben geschreven over Portengen is mijn schoolopdracht afgelopen. Maar dat is natuurlijk geen reden om met dit blog te stoppen. Ik ben opgestaan voor het blog en ben ermee naar bed gegaan, ik heb door weer en wind gefietst om in Portengen te komen en ben van plan om dit te blijven doen.

Na vier weken neem ik wel een weekje rust. Deze week zal er dus niet gepost worden. Hoewel, misschien één artikel. Volgende week gaat er een nieuw schoolblok van start, waardoor ik echter wel met een lagere frequentie zal gaan posten. Ik hoop dat jullie hier begrip voor hebben.

Vriendelijke groeten,

Tomas van der Heijden

Galerij

Portret – Vlotte tante

De vlotte tante Gerie met een glunderend gezicht.

Op maandagmorgen naar de gym, elke dag naar haar grote paard en kleine pony en op vrijdag naar de markt. Tussendoor de kippen voeren, koffiedrinken met vriendinnen, wat  verjaardagen bezoeken, een keertje 50 kilometer fietsen en naar de vrouwenvereniging de ‘Passage’. Het is een kleine greep aan activiteiten uit het drukke, volgeplande leven van de tachtigjarige, pientere Gerie Fokker. Al haar hele leven woont ze in een immense boerderij, met een ouderwets doch zeer gezellig interieur, gelegen in de noordelijke kant van Portengen. Ze woont hier samen met haar poes. Het lijkt alsof de tijd er heeft stilgestaan. Ze heeft nog nooit ergens anders gewoond en is dit ook niet van plan te doen. Vroeger, 25 jaar geleden, was Gerie nog boerin en bezat ze samen met haar man, die helaas is overleden, een melkveebedrijf. Ondanks dat ze tegenwoordig geen boerenbedrijf meer heeft, blijft “Je moet wat doen. In beweging blijven!” haar onbetwiste levensspreuk. Haar dagen en weken zijn altijd druk en ze geniet er volop van.

“Om zo oud te worden als ik en toch actief te blijven moet je veel buiten zijn. Dat doe ik al van jongs af aan en dat blijf je dan doen. Volgens mij ben ik geboren tussen de koeien. Naast de buitenlucht moet je ook altijd bezig zijn. Als je bezig bent blijf je bij en ga je niet zo snel stilzitten. Als ik niets te doen heb, dan bedenk ik wel iets wat ik mot doen! Bijvoorbeeld effe naar de paarden!”, vertelt Gerie overtuigend.

Het paard en de pony staan in een grote loods en zien er gezond uit. Elke dag neemt Gerie er een kijkje. Ze schept hooi voor ze, praat een beetje tegen ze en dirigeert ze naar het veldje waar ze zich kunnen uitleven. Het donkerbruine paard is zeker drie keer zo groot als Gerie, maar dat is geen enkel probleem. “Het is fysiek niet zo zwaar want ik ben de baas over ze. Ze doen wat ik wil. Afgelopen. Ze lopen op hun eigen benen en ze luisteren maar naar me!”, lacht Gerie.

Met haar kleine voeten en nette schoenen loopt Gerie zonder aarzeling door dikke blubber en diepe plassen en kuilen richting het paardenveldje. Ze maakt het hek van de omheining die om het veldje heen staat open en laat de paarden erin. Daarna knoopt ze het hek met een dik touw stevig vast. “Zo, dat is ook weer gedaan!”, roept ze blij. Het paard is al 20 jaar oud en werd vroeger gebruikt als werkpaard. “Een paard heb je nodig om alles op de boerderij te regelen. Ik heb alleen nooit op het paard gereden, mijn man wel. Paarden zijn mijn favoriete dieren. Hoewel, eigenlijk zijn alle dieren favoriet.”

Gerie en haar twintig jaar oude paard.

Op woensdag gaat Gerie, het liefst met de fiets, altijd naar Breukelen. Dat is vaste prik. Ze is vrijwilliger bij de dagopvang. Hier komen mensen -die niet de hele week alleen kunnen leven- één of twee dagen per week. Er wordt een hele dag voor ze gezorgd en ze kunnen sociale contacten opdoen. De mensen bij de dagopvang variëren in leeftijd, de meeste zijn 70 tot 90 jaar. “Mensen vanaf 70 jaar noem ik oudjes”, giechelt Gerie. Als vrijwilliger moet Gerie proberen de oudere mensen bezig te houden. “Ik speel spelletjes met ze. Vooral Rummikub en Ganzenbord. Ik begeleid ze naar de etenszaal, drink koffie met ze en ik klets lekker. Soms ga ik ook een stukje met ze wandelen.” Gerie vindt het absoluut niet erg dat ze geen geld ontvangt voor al het werk dat ze verzet op de dagopvang. “Ik heb m’n aow, hoezo zou ik meer willen? Ik heb genoeg Ik wil het gezellig maken voor hun en ontvang liefde van ze. Daar gaat het mij om.” Als Gerie gezond blijft wil ze tot haar 100e doorgaan met het vrijwilligerswerk. “Maar ik wil niet in de toekomst kunnen kijken. Ik hoef niet te weten wat er komt.”

Een jaar geleden werkte Gerie nog als vrijwilliger bij het bejaardentehuis in Kockengen. Daar werkte ze 35 jaar, maar na wat onenigheid ging ze daar weg. “Ik ging elke dag naar het bejaardentehuis in Kockengen om te helpen en een kijkje te nemen. Vanaf de oprichting van het bejaardentehuis, 35 jaar geleden dus, liep ik er al. Het is leuk om mensen te helpen.”

Naast mensen helpen in het bejaardentehuis is Gerie heel vaak in Breukelen te vinden bij haar schoonzus. “Ze heeft veel hulp nodig en die kan ik haar bieden”, vertelt ze. Op vrijdag ga ik altijd naar m’n schoonzus, dan haal ik haar op en ga ik met haar naar de markt. Ik duw haar voort in haar rolstoel. De overige dagen in de week ga ik naar haar toe wanneer ze hulp nodig heeft. Soms wel om 11 uur ’s avonds. Ja echt! Op de gekste tijden.”

Gelukkig heeft Gerie ook nog tijd voor zichzelf. Als het even kan fietst ze. Dat is haar grootste passie. Als het lekker weer is aarzelt ze niet en laat ze de auto thuis staan. Ze fietst meerdere keren per week naar Kockengen, een afstand van ongeveer 4 kilometer, om boodschappen te doen en als het weer het toelaat fietst ze ook graag naar Breukelen, een overzienbare tocht van 6 kilometer. Dit zijn voor Gerie wel èchte luizenafstanden. Ze fietst namelijk ook voor de leuk grote afstanden. “Als het lekker weer is fiets ik zo 20 of 30 kilometer. Dat is absoluut geen moeite. Ik vind fietsen echt heerlijk. Je blijft in beweging, ik voel absolute vrijheid en ik ben buiten. Je kunt doen wat je wilt en je kunt overal heen gaan waar je wilt. En aangezien ik alleen ben mag ik ook alles doen wat ik wil, er is niemand die zegt wat ik niet mag doen.”

Dit jaar heeft Gerie met een vriendin nog 50 kilometer gefietst. “We doen geen wedstrijden, de vriendinnen waarmee ik fiets hebben elektrische trapondersteuning. Ik niet. Dat vind ik niet nodig. Als ik zelf kan fietsen dan doe ik het lekker zelf.”

“Ik rijd elke dag wel in de rondte op mijn fiets. Trucjes doe ik alleen niet. Het is maar een gewone, ouderwetse fiets zonder versnellingen en met terugtraprem. Hij is van m’n moeder geweest.”

Zelfs op vakantie fietst Gerie. Dit jaar verliet zij, samen met twee vrienden, Portengen om een weekje op Terschelling door te brengen. “Ik ben nooit thuis, joh. Je gaat naar van alles toe, je hebt ook nog het verenigingswerk en de kerk, je gaat wat drinken met vriendinnen en je gaat ook gezellig naar verjaardagen.” De uithuizige Gerie heeft op Terschelling het hele eiland afgefietst. Door de duinen en langs de zee. “Je gaat verkennen en het eiland ontdekken. Ik ga echt niet op het strand liggen. Ik zie daar het nut niet van in. Liggen kan ik hier ook thuis doen!”, vertelt Gerie lacherig.

Vorig jaar bezocht Gerie Noorwegen. Met dezelfde twee vriendinnen en met de reisgroep waar zij deel van uitmaken. Het zijn allemaal mensen met dezelfde achtergrond: het boerenleven. “Elk jaar gaan we naar het buitenland met de groep. We kijken in het vakantieland naar boerenbedrijven en je verkent de omgeving. Ook worden er excursies georganiseerd en ik doe mee hoor. Het is wel altijd een verzorgde reis. Alles is van te voren goed geregeld.” Gerie vond Noorwegen indrukwekkend en genoot van de reis. “Je ziet  nieuwe dingen en je vraagt je af: hoe werken mensen daar? Je komt ook in aanraking met andere culturen en het overdonderende natuurschoon en je bent natúúrlijk bezig en in beweging. Je ziet weleens van die 60-jarigen die zo sloom zijn, pff.”

Het ouderwetse woonkamertje van Gerie.

Ook op zondag zit Gerie niet stil. Dan gaat ze naar de kerk waar ze na afloop koffiedrinkt met de andere kerkgangers. “De hele zondagochtend ben ik dan bezig en ’s middags ga ik dan ergens heen fietsen meestal.” Gerie is protestants en actief bezig met het geloof. Als lid van vrouwenbeweging de Passage, een vereniging met een christelijke levensvisie voor vrouwen wonend en werkend op het platteland of in stedelijke gebieden, zet zij zich in voor haar leefomgeving en bespreekt ze maatschappelijke ontwikkelingen en (inter)nationale vraagstukken.

Ondanks Gerie haar drukke leven en vooral uithuizigheid is ze een trouwe Portengenese, ze woont er al meer dan 80 jaar (dat zijn meer dan 29000 dagen). “Ik ben hier geboren in 1931 en ben nooit meer weggegaan. Je kent hier iedereen. Portengen zit in mijn hart en dat blijft erin. Je leeft met elkaar mee en je vormt een eenheid. Vooral tijdens de winter, als er ijs ligt, dan zie je iedereen bij de ijsclub.” Gerie heeft schaatsgenen en schaatste vroeger lange tochten. De ijsclub wordt binnen de familie Fokker beschouwd als een belangrijke vereniging. “Mijn vader was één van de oprichters van de ijsclub, mijn man zat in het bestuur en mijn zoon, Arie Fokker, is penningmeester van de ijsclub. Het liefst wil Gerie zo lang mogelijk in Portengen blijven wonen, de ruimte op het platteland bekoort haar. “Ik wil absoluut niet in de stad wonen. Dat trekt me helemaal niet. Het feit dat het hier bijna helemaal stil kan zijn, dat je alleen maar vogeltjes hoort, is superbe. En, in een buurtschap als deze, staat de deur altijd open.”

“Ik ga nooit achter de geraniums zitten. Alsjeblieft niet zeg. Ik wil helemaal geen geraniums, ik vind het rotbloemen.” – Gerie Fokker, vlotte tante, authentieke Portengenese en vrijwilligster in hart en nieren.

Galerij

Info – Het Armenland van Ruwiel

Het Armenland van Ruwiel op een echte herfstdag. De bruinige kleur is goed zichtbaar.

Achter in Portengen-Noordeinde, het deel ten noorden van de grote rotonde die de buurtschap in twee delen scheidt, ligt een bijna-middeleeuws stuk land van circa vier morgen (3,4 hectare) groot met een unieke historie. Het ‘Armenland van Ruwiel’ is de ongewone naam van het gebiedje. Tijdens de herfst kleurt het land, bestaande uit vele plantensoorten, lichtbruin. Het oogt dor en vormt een exorbitant contrast vergeleken met het gebruikelijke, in Nederland zo bekende, altijd felgroene weilandlandschap. Tijdens het voorjaar wordt het bescheiden stukje grond getekend door een blauwe, bewegende gloed. De gloed wordt veroorzaakt door de blauwe zegge, een in Nederland zeldzame plant die goed gedijt op droog schraal grasland. Dit zijn hooilanden die wel gemaaid maar niet bemest werden, wat resulteerde in verschraling van de grond. Er kunnen planten groeien die alleen op dergelijke schrale veengronden kunnen gedijen.  

In het kort:
Het Armenland van Ruwiel is een stuk grond oorspronkelijk van de Heer van Ruwiel. De Heer was bestuurder van zijn gerecht Ruwiel. Hij zorgde ervoor dat de buitenarmen van zijn gerecht met brood bedeeld werden. Dit brood bekostigde hij uit de opbrengsten van speciaal daarvoor afgestaan onroerend goed, waaronder dit Armenland. Elk jaar werd het Armenland in de openbare verkoop gebracht. Boeren pachtten het Armenland graag omdat het gewas kruidenrijk was, daardoor gold het hooi als zeer gezond voor vee. De opbrengst van de openbare verkoop werd in het fonds “Buitenarmen van Ruwiel’ gestoken en hiervan werden de broden bekostigd. Het fonds bestaat nog steeds, maar armenzorg in natura is niet meer van deze tijd. Daarom krijgen nu alle huishoudens van alleen Portengen-Noord(einde) ieder gedurende een aantal weken het gratis traditionele armenbrood.

Het Armenland van Ruwiel draagt de naam omdat het toebehoorde aan de “Buitenarmen van Ruwiel”. Lang, lang geleden, in 1673, behoorden de Armenland-percelen tot eigendommen van de Heer van Ruwiel, toentertijd Gijsbert van den Boetselaer. De Heer van Ruwiel bezat de gerechtsheerlijkheid (ook wel aangeduid als ambachtsheerlijkheid) Ruwiel, kortweg als het Ruwielsgerecht aangeduid. Een heerlijkheid of een gerecht is het machtsgebied van een heer. Er bestonden nog geen gemeenten en gemeentebesturen. De Heer van Ruwiel was de bestuurder van het gebied. Zijn gerecht bestond uit een gedeelte van Oud Aa, een smalle strook land langs de Boterwal, Portengen-Noordeinde en Kortrijk. “De heer had als bestuurder van het gerecht zorg te dragen over de buitenarmen”, aldus Arie Manten, erelid van de Historische Kring Breukelen. “Dit waren de armen, veelal de boerendaggelders (boerenknechten) die in de buurtschappen bij de boerderijen woonden”.

“Het zorgen voor de armen was een voorziening waarvoor jaarlijks geld beschikbaar moest zijn. De Heren van Ruwiel wilden voorzieningen financieren uit zo veilig mogelijke bronnen. Ze waren bang voor eventuele oorlogen en natuurrampen. Het liefst dekten zij de kosten met onroerend goed. Het stukje land dat het Armenland van Ruwiel heet was onroerend goed waarmee voor de armen werd gezorgd. Een overgebleven kavel binnen het Ruwielsgerecht”, aldus Paul Vlaanderen, vrijwilliger van Natuurgroep Kockengen.

Paul Vlaanderen (75) op het Armenland van Ruwiel. De bruine kleur is duidelijk zichbaar en vormt een groot contrast met het altijd groene weiland.

De armenzorg
Het Armenland was verdeeld in drie kavels. Elk jaar werden deze kavels geveild in het logement Welgelegen, vroeger gelegen nabij de Portengense Brug, aan de Grote Heycop.  Boeren kwamen aldaar samen om te bieden op het grasgewas. De boeren mochten het land een jaar pachten. Als tegenprestatie mochten de boeren het land één keer maaien. Het Armenland werd in alle jaren, tot nu toe, niet bemest. Dit om aanspraken op pachtrechten te voorkomen. “Land voor de armen moest arm blijven”, zegt Arie Manten. Omdat het land nooit bemest werd was en is er een enorme verscheidenheid aan planten. Het gewas was heel kruidenrijk; de samenstelling is veelzijdig. De boeren pachtten het stuk land omdat ze gek waren op het gewas. Ooit vertelde een boer me eens dat het zieke dieren zelfs beter zou maken en dat het een preventieve werking heeft”, vertelt Arie. Het maaien van het gras moest bij ‘goed hooijweer’ voltooid zijn voor 25 juli. Maar bij regenachtig weer werd de pachter nog drie weken tijd gegund. Tot de prijs die betaald diende te worden hoorde als extraatje nog dat de huurder het land, de sloten en de kade vóór 1 november een goede onderhoudsbeurt moest geven. Bleef hij in gebreke dan liep hij een boete op van ‘een Gouden Ducaat’, een munt waarvan de waarde niet door een vaste wisselkoers maar door de goudwaarde werd bepaald.

“De opbrengst van het pachtgeld ging naar het fonds genaamd ‘De Buitenarmen van Ruwiel’”, aldus Arie Manten. Van het geld werden broden gebakken voor de buitenarmen. Tussen 1 januari en Pasen werd twee pond brood per week per persoon uitgedeeld. “’s Winters was er amper tot geen werk op de boerderij. Sommige boeren gaven hun loonwerkers zelfs geen vast contract. De meeste loonwerkers moesten ’s winters echter wel een (vaak groot) gezin voeden. Daarom ontvingen zij het brood”, aldus Paul. Voor de verdeling van het “armenbrood” zorgden de armmeesters. Zij werden benoemd door de Heer van Ruwiel en later door de burgemeester van Ruwiel. Er was altijd één protestantse en één rooms-katholieke armmeester. Hedendaags geldt dit nog. “De armmeesters hadden gezamenlijk tot taak de jaarlijkse verkoop van het gras van het Armenland en de andere inkomsten en uitgaven te regelen. De opbrengsten waren bedoeld als financieringsbron om de armen van het Ruwielsgerecht in de wintermaanden tegemoet te komen”, aldus Paul Vlaanderen. De uitvoering van deze regeling werd door de Heer van Ruwiel opgedragen. De oudste bekendste vermelding van de armmeesters van Ruwiel is uit 1760. Willem Straalman was toenmaals de gerechtsheer van Ruwiel. “Het was voor die tijd erg bijzonder dat er actief aan armen werd gedacht. In Amsterdam heeft de Heer van Ruwiel een tijd lang verbleven. Daar werden er meerdere voorzieningen getroffen voor armen. Het kan zijn dat hij hierdoor sociaal bewogen werd”, zegt Paul Vlaanderen.

De oude regelingen rond het Armenland bleef tientallen jaren ongewijzigd. Hoewel de armmeesters na de Franse Tijd in Ruwiel niet meer benoemd werden door de gerechtsheer, maar door de burgemeester van gemeente Ruwiel (de gemeente bestond uit de samenvoeging van Nieuwer Ter Aa, het Ruwielsgerecht en de gerechtsheerlijkheid Breukelerwaard). Dit bleef ongewijzigd tot de gemeente Ruwiel per 1 april 1964 aan gemeente Breukelen werd toegevoegd en sinds 2011 bij mega-gemeente Stichtse Vecht hoort. In 1964 is het Armenland verkocht aan Staatsbosbeheer. Het geld van deze verkoop werd in het fonds de ‘Buitenarmen van Ruwiel’ gestoken. De spaarrente is hoger dan de opbrengst van de veiling van het grasgewas vroeger. Tot 1970 werden er broden betaald voor de buitenarmen binnen het gebied dat het voormaling Ruwielsgerecht omvatte. In de zeventiger en tachtiger jaren van de twintigste eeuw werd het begrip ‘armen’ steeds moeilijker te definiëren en voor de minder bedeelden waren afdoende landelijke sociale voorzieningen. “De mensen zonder boerderij waren rijker geworden dan de mensen mèt boerderij”, vertellen de rooms-katholieke en protestantse armmeesters (nu met een andere taak dan vroeger: beheren van het fonds) Arie Korrel en Wim van Vliet. Ook werden aanvragen van armenbrood als sociaal niet meer aanvaardbaar gezien. Wel wordt de traditie voortgezet. “Besloten is om voortaan in de Lijdenstijd alle inwoners van Portengen-Noord, bestaande uit Portengense Brug en het noordelijk deel van Portengen) voor een bepaald bedrag elk jaar, gedurende zes weken op gezette tijden, van gratis brood te voorzien tot een maximum hoeveelheid. Deze traditie wordt tot op de dag van vandaag voortgezet”, vertelt Paul Vlaanderen.

De armmeesters van vandaag. Links Arie Korrel, rechts Wim Van Vliet.

Het is een typisch Noord-Portengense en landelijk gezien zeer unieke aangelegenheid geworden. Dit was het vroeger al. Ten tijde van het Ruwielsgerecht vond men namelijk alleen in Portengen-Noordeinde arbeiders. In het Ruwielse stuk Oud Aa woonden alleen boeren en de boeren in Kortrijk woonden op de kop van hun kavel. Arbeiders woonden op de achtereinden van deze kavels, aan de oostkant van de Portengense Dijk. Tegen deze achtergrond valt te begrijpen waarom de armenbedeling een nagenoeg volledig Portengense aangelegenheid is geworden.

Beschermd natuurgebied
Het Armenland is tegenwoordig beschermd natuurgebied. Er groeien zeer veel zeldzame planten en het is één van de weinige schraal graslandgebieden in Nederland. “Er groeit Spaanse ruiter, tormentil, klokjesgentiaan, blauwe knoop, knoopkruid, blauwe zegge, wasplaatjes (kleine paddenstoelen die alleen op onbemest weiland groeien) en een enkele orchidee. Dit alles is langs biologische weg ontwikkeld. Dit plantengewas is als het gehooid is natuurlijk veel gevarieerder. We gaven koeien eens de keuze tussen het grasgewas van het Armenland en het gewas van normaal gras. De koe koos subiet voor het kruidenrijke gewas van het Armenland!”, zegt Paul. Naast de bijzondere planten zijn er ook ongewone insecten en dieren te vinden, zoals veenmollen en moerassprinkhanen. De watersnip is een vogel die veel te vinden is in het Armenland. “Als je langs ze loopt vliegen ze driftig op en schrik je je rot. De bijnaam van deze vogels is hemelgeit”, lacht de heer Vlaanderen.

In de herfst en winter heeft het Armenland een volledig andere kleur dan in het voorjaar en de zomer. Net als bomen is er seizoensgebonden verandering zichtbaar. “Dit komt doordat er in het Armenland planten staan die ’s winters hun bladgroen verliezen, het gaat kapot. Normale weilanden verkleuren ’s winters niet omdat het bestaat uit gras, dat verliest zijn bladgroen niet ’s winters. Ook worden weilanden zwaar bemest, daar gaan vele planten aan ten onder. Doordat het Armenland langs natuurlijke weg is verschraald groeien er planten die niet op een zwaar bemeste bodem groeien. Tevens bestaat het weiland vaak uit Engels raaigras, een agressieve grassoort die alles overwoekert. Een zee van groen creëert het. Juist als je het land niet bemest is de plantengroei het meest gevarieerd”, voegt Paul er als laatst aan toe.

———————————————————————————————————-
Overige bronnen:

Versloot, G (1993), Het Armenland en de buitenarmen van Ruwiel.
Ahoud, W.F.M, Inventaris Portengen-Noordeinde - RHC Vecht en Venen.
Tijdschrift Historische Kring Breukelen, jaargang 8, artikelnummer 2

 

Galerij

Portret – “Doorgaan tot ik niet meer kan lopen”

Van links naar rechts: Dirk-Jan, Gerard en Cees.
Dirk-Jan Stam werkt twee dagen per week bij Gerard en Cees, de rest van de tijd is hij huisvader.

Voor de showroom, op een bedrijventerreintje achter een boerderij in Portengen, staan twee witte bestelbusjes met daarop in koeienletters ‘De Biljartmakers’ geschreven. Een bedrijf van de broers Gerard (59) en Cees Bocxe (58). De broers zijn bekend bij biljartminnend Nederland als eigenaren van een bedrijf dat uniek is in zijn soort. De broers repareren niet alleen biljarts op locatie, maar bouwen ook biljarts op aanvraag en schudden buitengewone projecten uit de spreekwoordelijke mouw. De man van de techniek is Cees, uit de werkplaats klinken dan ook duidelijk nijverige, luide zaag- en schuurgeluiden. Zijn broer is de man van de showroom -die aan de werkplaats vastzit-, klantenbinding en de reparaties op locatie. Samen bezitten zij over meer dan tachtig jaar ervaring in de biljartwereld en kunnen zij uit een oneindige bron van kennis putten. Het werd ze met de paplepel ingegoten.

Vroeger, in 1959, was de showroom een stuk minder modern dan nu en bevond deze zich aan de Herenweg in Wilnis, een dorp dichtbij Portengen. Tussen de biljarttafels weerklonk op zondag het gemoedelijke gebries van paarden en het getrappel van hoeven op de ongevoelige betonnen vloer. Het was een klein biljartbedrijf van Gerrit Bocxe, de vader van Cees en Gerard, gevestigd in de paardenstal naast zijn café genaamd Driehuis. De vader van Gerrit bezat eveneens een horecabedrijf, in Langeraar. In dit horecabedrijf stond een caramboletafel zodat de cafébezoekers naar hartenlust biljart konden spelen.

Eens in de zoveel tijd moet het speellaken van een biljarttafel gekeerd worden, zo ook het laken van opa Bocxe. “Het was ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Onze opa had absoluut geen geld om een biljartmaker te laten komen die het laken zou keren. Toen onze opa eens een dag weg was besloot onze vader Gerrit, die tevens op een hoog niveau competitief biljart speelde, eigenhandig het laken te keren.” Opa Bocxe kwam thuis en merkte het gekeerde laken meteen op. “’Potverdomme, wie heeft dat laken gekeerd?! Je mot met je poten van dat biljart afblijven’, schreeuwde hij. Opa gaf hem een tik en verbood hem het ook nog maar één keer in zijn hoofd te halen zoiets te doen”, vertelt Cees vurig. Andere cafébazen kwamen langs in het café en vroegen wie het laken zo keurig gekeerd had. “’Dat was mijn zoon’, vertelde opa dan”. Langzamerhand vingen steeds meer mensen het nieuwtje op. Gerrit werd gevraagd om in steeds meer cafés lakens te keren. Zo is het biljartballetje gaan rollen. “Onze vader was postbode. Na het rondbrengen van de post verdiende hij zwart bij door bij anderen het biljartlaken te keren”, vertelt Gerard.”

Het bedrijfje
Het was het begin van een enerverende geschiedenis die geleid heeft tot het bedrijf wat de twee broers vandaag de dag bezitten. “Ons bedrijf bestaat uit drie onderdelen: het verlenen van service op locatie (lakens keren, de pomerans –het stootkussen van de keu vervangen- en kleine mankementen verhelpen), het verkopen van alle biljartgerelateerde artikelen in de showroom en het bouwen van pooltafels voor klanten die ons de opdracht geven.” Het bedrijf deelt het klantenbestand op in drie sectoren: particulieren, cafés (horeca) en snooker- pool- en carambolecentra (dienstencentra). Gerard geniet van het keren van lakens en het contact dat hij heeft met zijn klanten. “Als ik ergens een laken ga keren of iets aan een tafel moet repareren zoek ik gelijk andere klanten op in de regio. Soms bezoek ik er wel zes op een dag. We hebben een klantenbestand van 1000 vaste klanten. We sturen ze elk jaar een kerstkaart! Ik vind het geweldig om bij onze klanten over de vloer te komen, hun verhalen te horen en lekker met ze te ouwehoeren. De meeste klanten willen ook alleen dat Cees of ik het laken keer.”

Cees is het technische brein van de zaak, terwijl Gerard zich minder interesseert in de techniek achter een biljart. “Ik hou niet zo van drukte en hectiek. In de werkplaats kan ik mij volledig afsluiten en ben ik heerlijk aan het werk. Ik werk soms van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat en word ook weleens wakker met een goed idee. Dan snel ik m’n bed uit om het op te schrijven. Daarna kan ik pas rustig verder slapen.” Niet alleen op het bedrijf is Cees de man van de techniek, thuis ook. Hij woont op een woonark die hij volledig zelf heeft gebouwd. Toen hij het kocht was het hout verrot. Alleen de betonnen drijfbak is origineel. “Stukje bij beetje bouwde ik mijn ark. Ik heb nooit geld geleend. Ondanks dat het even duurde heb ik tijdens de bouw van mijn ark er altijd in gewoond. Van het dak tot de isolatie en de verwarmingsleidingen; alles heb ik zelf gedaan. Er is gèèn aannemer bij komen kijken! Ook de binnenkant van de ark heb ik gemaakt. Over de keuken heb ik vier jaar gedaan. Deze is van hout en bestaat alleen uit ronde vormen. Er zit zelfs een ronde draaideur in.”

Tegenpolen
Cees en Gerard zijn elkaars overduidelijke tegenpolen. Als de kleuren zwart en wit. Het is echter wel de grote kracht van het duo. “We vullen elkaar perfect aan. Je moet wel oppassen dat je niet inslaapt, je moet blijven communiceren en je moet weten wat er bij de ander leeft. We kennen elkaar door en door en we staan altijd voor elkaar klaar, wat er ook is. Het samenwerken gaat nooit vervelen”, vertellen de broers in één adem. Eén eigenschap delen ze echter wel: de onvoorwaardelijke liefde voor het werk in de biljartindustrie.

Deze liefde begon al jong. Toen hun vader steeds meer gevraagd werd om in cafés lakens te keren besloot hij in 1957 te verhuizen naar Wilnis, omdat hij in de gelegenheid was daar een café te kopen. Cees was drie en Gerard vier. Het biljartbedrijf wat hij daar opzette in 1959 behield hij tot 1963. Het bedrijf kende een solide start. “Doordat hij al lakens keerde in cafés en zelf op hoog niveau biljartte had hij een behoorlijk netwerk opgebouwd”. Ton Bocxe, de oudere broer van Gerard en Cees nam het bedrijf ‘Bocxe Biljarts’ in 1963 over en een paar jaar later waren Gerard en Cees al in de werkplaats te vinden. “Sinds m’n dertiende zat ik al in de werkplaats te klussen”, vertelt Cees. In 1969 trad Gerard officieel bij zijn broer in dienst en een jaar later deed Cees hetzelfde. 35 jaar werkten ze er. In de tussentijd was het bedrijf gegroeid tot een grote, niet te vergeten naam binnen de Nederlandse biljartwereld. Tijdens de gloriedagen werkte er acht man. Toen Ton na 35 jaar te maken kreeg met niet nader te noemen persoonlijke problemen nam zijn schoonzoon het bedrijf over. Na wat onenigheid besloot Cees uit het familiebedrijf te stappen. Hij begon in 2005 zijn eigen bedrijf en niet veel later besloot Gerard Cees achterna te gaan. ‘De Biljartmakers’ was geboren.

De ronde pooltafel met het diepblauwe laken.

Recente projecten
Ondanks dat De Biljartmakers een betrekkelijk jong bedrijf is behoort het nu al tot de top van de biljartmakers in Nederland. Het is het enige bedrijf in Nederland dat biljarts op aanvraag maakt en zelf unieke biljarttafelconcepten verzint en fabriceert. Dit doen ze omdat ze na het 35 jaar bouwen van rechthoekige biljarttafels toe waren aan iets nieuws. Onlangs is de ronde pooltafel gebouwd. Deze tafel beschikt over twee pockets in plaats van zes. Het is de bedoeling dat je je eigen ballen zo snel mogelijk wegspeelt. De ronde pooltafel is een wereldse uitvinding: het is de enige met twee pockets op de hele wereld. “Deze tafel is amusant. We weten zeker dat het een enorme hit gaat worden en dat het de wereld zal veroveren. Het spel is soms onverwachts door de ronde banden en het is vlot te spelen. Perfect voor jongeren. Tegenwoordig is het biljart een beetje een oudelullensport, met de tafel willen we jongeren aan het poolen krijgen.”

De ronde pooltafel is niet het enige recente, exceptionele project. De broers zijn op het moment bezig met een achthoekige pooltafel. Ook dat is een onbestaande vorm tot nu toe in de biljartwereld.

Een paar jaar terug bouwden de broers een tafel die uiteindelijk meer dan 35.000 euro kostte. Het was een opdracht van een rijke biljartfanaat. “In de banden zaten camera’s, in de hoeken zat led-verlichting, de poten zijn gemaakt van massief roestvrijstaal en op de bovenkant van de poten was ruimte voor enorme robijnen. Al met al kostte het 160 uur om deze tafel te bouwen.”

160 uur werken aan een tafel beschouwen de broers niet als een vervelend karwei. Cees vindt het maken van biljarts het prachtigste beroep dat er is. “Mijn baan is een uitdaging en als ik een tafel heb gefabriceerd voel ik mij voldaan. Ik ben wel gelijk ongeduldig. Hongerig. Op zoek naar een nieuw project. Weer iets maken wat mensen waarderen.” Gerard is ook zeer te spreken over zijn ambacht. “Als ik mijn beroep in één woord zou moeten omschrijven kan ik alleen prachtig zeggen. Het is toch het mooiste wat er is?! Ik zou echt, oprecht, niets anders willen doen dan dit.”

Kasteelbiljart
Naast alle ongewone pooltafels die de broers fabriceren, staat er in de showroom een meer dan 250 jaar oud gevaarte. Een caramboletafel die de Franse Revolutie meemaakte, de Eerste Wereldoorlog overleefde en ook de Tweede Wereldoorlog zonder ‘kleerscheuren’ (lakenscheuren) door kwam. Antiek in zijn puurste vorm. Aan elk hoekje en plekje van de tafel is aandacht besteed en de poten hebben een fraaie vorm.

Vroeger, heel lang geleden, stond de tafel in Kasteel de Haar. Een immens, robuust kasteel vlakbij Portengen. “Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden waardevolle bezitten ondergebracht bij boeren om te voorkomen dat de Duitsers het kasteel zouden leegpikken.” Tot 1980 heeft de tafel op de zolder van een café in Teckop gestaan tot Cees de tafel kocht voor het ‘schamele’ bedrag van 1000 gulden. “Een paar jaar geleden is de tafel getaxeerd op 30.000 euro.” Wat heet een investering. “In Amerika is de tafel zelfs nog meer waard, denk aan 60.000 dollar. Dit komt omdat ze daar over minder antieke biljarttafels beschikken”, aldus Cees.

Zonder een goed bod zal de tafel absoluut niet verdwijnen uit de showroom. Daarvoor zijn de broers er teveel aan gehecht. De Biljartmakers zullen ook niet zonder slag of stoot uit de biljartindustrie verdwijnen. “Ik wil doorgaan tot ik niet meer kan lopen”, zegt Cees verheugd. Gerard wil ook nog wel even doorgaan. “Ik ken geen grens en wil doorgaan tot het niet meer kan!”

“Samen zijn wij het perfecte team met de mooiste baan die er is.” – Gerard en Cees Bocxe, biljartmakers, vreemde eenden in de (biljart)bijt, uitvinders.

Galerij

Column – “Hier heb je 50 euro”

Een lachende Nico Zeldenrijk.

De afgelopen weken heb ik meerdere dagen per week naar het inmiddels bekende Portengen gefietst. Een tochtje van 20 kilometer. Elk element ervan komt me langzamerhand steeds bekender voor, maar de natuurlijke enscenering van de route verandert constant. Seizoensgebonden verandering. Waar ik in het aller begin door een polderomgeving fietste met soms grote bomen vol handgrote, felgroene bladeren, dwarrelen de blaadjes nu één voor één richting de natte grond. De kou vindt langzaamaan zijn weg richting Nederland. Het wordt eerder donker en de gevreesde winterdepressie zal na het terugdraaien van de klok om twee uur vannacht zijn slachtoffers opzoeken. Ook de typerende polderwind verandert. Van een normale, gevoelloze bries naar een harde, gure wind. Eén omstandigheid verandert nochtans niet: de warmte van de Portengense inwoners, die blijft onverminderd.  

Nu al drie weken lang heb ik de sfeer van het leven in een buurtschap ondervonden en een aantal bijzondere ervaringen opgedaan. Waar ik eerder al sprak over hoe anders het plattelandsleven is vergeleken met het urbane leven, is dit niet het enige in het oog springende. Terugkijkend op de laatste weken hebben de gastvrijheid en warmte in Portengen mij enorm verrast. De saamhorigheid, behulpzaamheid en traditionele normen en waarden waarover alle Portengenezen opgetogen spreken, zorgen ervoor dat je je er gelijk thuis voelt. Voordat ik dit blog startte had ik niet verwacht met wijd open armen ontvangen te worden in het kleine buurtschap waar iedereen elkaar kent. Wat had ik, als zijnde buitenstaander, daar nou te zoeken? Zelfs de nuchtere mannen en boeren, met handen zo groot als kolenschoppen, lijk ik al jaren te kennen.

Eén van deze mannen is Nico Zeldenrijk, de secretaris van de ijsclub. Een grote, bonkige vent. Een nuchtere, maar uiterst behulpzame, buurtschapsbewoner. Het was de eerste dag in Portengen. De hele dag reed ik mee met Willem Boele. Willem nam me op sleeptouw, reed me naar verschillende locaties in Portengen en stelde me voor aan enkele buurtbewoners. Nog steeds helpt hij me als ik vragen heb over Portengen. Nadat het omroepen erop zat, zette Willem Boele mij af voor de loods waar de bazaar, die rond 20.30 uur die avond zou starten, werd georganiseerd. Ondertussen was het 17.30 uur en Willem moest naar Maarssen om daar zijn radioprogramma te presenteren. De loods binnenstappend kwam ik erachter dat ik in een vlaag van vergeetachtigheid mijn portemonnee vergeten was en dat ik geen fiets tot mijn beschikking had. Die dag was met ik de auto gebracht. Ik ontmoette Nico en het eerste, wat hij zonder weifeling, zei was: “Hier heb je een briefje van 50 euro. In Kockengen zit een snackbar! O, m’n fiets kun je ook gebruiken, dan kun je nog wat foto’s maken in Portengen.”  Nico kende mij nog geen vijf minuten maar ik kreeg 20 knaken in mijn handen gedrukt. “Dankuwel Nico! Ik betaal het u zo snel mogelijk terug”, stamelde ik. Het was het begin van overweldigende ervaringen waar ik als toen nog onwetend stadsmens niet op rekende.

De natuurlijke enscenering in alle vroegte.

Nico en Willem zijn niet de enigen waar de dorpse gezelligheid door de bloedbanen stroomt. Liters koffie zijn er intussen in mij gegoten en ik heb de lekkerste soepen gegeten. Overal waar ik kom voor een portret of een interview word ik, als onbekende, zonder enige aarzeling binnengelaten en hoor ik persoonlijke verhalen. Ultieme gastvrijheid. Bij Cor van der Panne kreeg ik heerlijke koekjes bij de koffie. “Hartstikke lekker, dankuwel”, zei ik. “Ze zijn nog van z’n verjaardag. Twee weken geleden was dat”, schaterde z’n vrouw Lena. Bij Martien Oussoren werd tussen de middag de hele tafel gedekt met heerlijke vleeswaren en kaas. Meerdere keren zei zijn vrouw: “Wel goed eten hoor, Tomas. Zoveel pakken als je wilt, dat is echt niet onbeleefd.” Ik dronk er ook nog échte melk. Vers uit de koe. Buitengewoon smakelijk. In huis bij de moderne wereldreizigers Elbert en Patricia Verbrugge kreeg ik goeie rijst voorgeschoteld en een hemelse groentesoep. Overal waar ik tot nu toe ben gekomen werd ik met veel gastvrijheid ontvangen.

De verhalen over de behulpzaamheid en het voor elkaar klaarstaan kloppen als een bus.  De traditionele normen en waarden schemeren overal doorheen en de sfeer voelt landelijk en aangenaam. Nu kan ik met zekerheid zeggen dat dit tekenend is voor Portengen. Het is de reden waarom ik er meerdere keren per week, door weer en wind en met veel plezier, op mijn stalen ros naartoe jakker.

Galerij

Reportage – Reportengen 2

Na alle woorden op dit blog over de ligging van Portengen en de kleinheid van het lintbuurtschap wordt het tijd om een echt beeld te bieden. Immers: een foto zegt meer dan duizend woorden. De volgende foto’s uit fotoreportage 2 geven weer hoe (Noord-) Portengen eruitziet, tot het bord van gemeente ‘De Ronde Venen’. Fotoreportage 1 geeft (Zuid-) Portengen weer, het deel waar onder andere Jan Stam zijn bijzondere leven leidt. 

“Ja, heus. Ook na de brug is er leven in Portengen en zijn er genoeg schilderachtige boerderijen te vinden”, vertelt de eerste fotoreportage. Natuurlijk is dit waar. Op een echte herfstdag zijn de foto’s gemaakt. De grijze lucht overheerst en een typisch Nederlandse schaapjeswolkenlucht is nergens zichtbaar. Dit in tegenstelling tot de foto’s van Zuid-Portengen. Het noordelijk deel van Portengen is rustiger (hoewel er in het begin van Portengen-Noord een aantal bedrijfjes zijn), dit wil de reportage dan ook uitstralen door de neutrale lucht.

Gelijk na de Portengse brug links zit een oud winkeltje waar van alles verkocht wordt. 

Rechts van het winkeltje zit een occasiondealer. Een echte autodealer in het buurtschapje. 

De weg loopt natuurlijk recht door. Aan de rechterkant van de weg, zo’n 50 meter na de brug, verschijnen de eerste rijtjeshuizen. Niet alles in Portengen is boers. Links op de foto is een bruggetje zichtbaar. Dit is het bruggetje naar de kantine van de ijsclub

De kantine van de ijsclub. Een houten keet, zelf gebouwd door het bestuur. 

150 meter na de brug kan er rechts afgeslagen worden naar de Nijverheidsweg. Dit is een weg die langs het ‘industrieterrein’ in Portengen loopt.

De Nijverheidsweg. Vol met trailers en vrachtwagens. 

Voorbij de Nijverheidsweg wordt het, voor zover mogelijk, iets rustiger. Er staan immense boerderijen. 

Het gezellige, ouderwetse huisje van Bart, de maat van Cor van der Panne. Het is daggelderswoning. Hier woonden vroeger boerenknechten met hun gezinnen. Destijds woonden er -soms- drie gezinnen in zo’n huisje. 

Een oude boerderijmuur.

De boerderij waar Willem Boele vroeger woonde. Deze is nu onbewoond. De boerderij wordt hedendaags gebruikt als locatie voor een deel van de opnames van de kinderserie VRijland, waarvan seizoen 3 op 3 september jongstleden is begonnen. Deze serie wordt ook in Kockengen en andere omliggende dorpen en buurtschappen opgenomen. 

Een voortuin waar een Renault met kenmerkende kleuren staat geparkeerd.

Het slootje dat langs de weg door Portengen stroomt. Hier is de sloot op zijn breedst. De weg gaat natuurlijk rechtdoor. 

Langs de weg liggen er grote stukken weiland zonder enige bebouwing. Hier, achterin Portengen, staan veel minder huizen dan een kilometer terug. 

De oude dwarsboerderij van Martien, achterin Portengen. 

De weg waar een bocht haar plek heeft gevonden. Na 200 meter is een kruispunt. Wanneer er rechtsaf wordt geslagen wordt er koers gezet richting Oud-Aa. Dit is een buurtschap waar circa 100 mensen wonen. 

Het oude huis vlakbij het kruispunt. 

Na het kruispunt loopt Portengen nog heel even door. Er staan nog zo’n tien huizen, waarvan een paar boerderijen.

Het laatste deel van Portengen wordt gekenmerkt door veel bomen. Vlakbij ligt het Armenland van Ruwiel, waarover later meer.

Een prachtige boederij met een oud rieten dak. Het mos kruipt omhoog en probeert het hele dak te bedekken. 

Het einde van Portengen. Het einde van gemeente Stichtse Vecht. Dit is het begin van gemeente De Ronde Venen. Ook een gemeente met veel groen en kleine dorpjes. 

Galerij

Portret – De anti-Wildersboerderij

Boer Martien met een trotse blik op een zonnige dag.

Kinderen spannende verhalen vertellen op de hooizolder, ze leren hoe ze een koe met de hand moeten melken en ze laten zien hoe je rijdt in een oude boerderijtrekker. Bezigheden die de 61-jarige boer Martien Oussoren prachtig vindt. Zijn hele leven woont hij al in een authentieke dwarsboerderij in Portengen. Een boerderij die geschikt is om de show te stelen op de voorkant van een ansichtkaart. ’s Ochtends, wanneer de dauw nog als een vochtige deken op zijn 33 hectares weiland rust, melkt Martien zijn 45 melkkoeien.  Martien is boer in hart en nieren en boert al sinds  1972 met volle overgave. “Ik wil boer zijn tot ik het niet meer kan. Als ik opnieuw zou leven zou ik zeker weer boer worden. Als boer kun je schreeuwen zonder boze buren op de stoep te hebben en je kunt vies worden wanneer je vies wilt worden”. Boeren is niet het enige wat Martien graag doet. Omgaan met (allochtone) kinderen en hen iets leren is een tweede grote liefde van hem. Elk jaar komen er zo’n 20 schoolklassen langs op zijn boerderij en sinds een paar jaar komen er in de voorjaars- en herfstvakanties ook groepen kansarme allochtone stadskinderen een halve dag op de boerderij vertoeven.

“Iehlll, het stinkt hier” “Bahhh, ik moet zo echt me handen wassennnn” “Getver ik stond in een koeieuhvlaaai”, weerklinkt het op Martiens boerderij. Met nieuwsgierige, bruine kijkers wordt er verbaasd, en in het begin met een beetje angst, naar het leven op de boerderij gekeken. Het zijn de bruine kijkers van tien kansarme allochtone stadskinderen die misschien wel voor het eerst in hun leven het grijze, versteende gebied verlaten om een dag door te brengen op het Nederlandse platteland. “In het begin zijn de kindjes nog een beetje schuchter, maar dit verdwijnt snel”, zegt Martien. Samen met de VoorleesExpress, een project dat vrijwilligers laat voorlezen bij allochtone stadsgezinnen om het integratieproces te versnellen, organiseert Martien dagen waarop hij allochtone kinderen rondleidt op zijn boerderij.

“De kinderen proberen we de herkomst van voedsel te leren en we willen ze laten zien wat er naast de grote stad, op een boerderij, allemaal gebeurt. Kinderen moeten dit leren, voordat ze helemaal niet meer weten waar voedsel vandaan komt, hoe dit gemaakt wordt en wat er buiten de stad te beleven is. Wat buiten de stad gebeurt is namelijk functioneel, zonder het platteland zou ons broodnodige voedsel niet in de schappen van de supermarkt liggen.” Martien organiseert dit soort dagen sinds 2008. Toentertijd ontving hij een cheque van de Rabobank-ledenwerfactie voor een ander project waar hij aan meedoet, genaamd ‘Boerderij in de Kijker’. Een project van de boereneducatievereniging. Met dit project worden (vooral Nederlandse) schoolklassen rondgeleid op boerderijen die zijn aangesloten bij Boerderij in de Kijker. Gemerkt werd dat de allochtone groep niet bereikt werd. Bij de overhandiging van de cheque ontmoette Martien de dames van de VoorleesExpress en er werd besloten met hun ‘De Boer Op’ te starten om zo, met het netwerk van VoorleesExpress, allochtone groepen naar het platteland te dirigeren.

Een blije blik.

Op 19 oktober, tijdens de herfstvakantie, arriveerde er weer een groep allochtone kinderen. Toen de kinderen de bus uitstapten die voor het boerenerf van Martien was gestopt begaven ze zich in een omgeving die volledig onwennig was. De woonplek van Martien is het tegenovergestelde van de stadse achterstandswijken: de natuur dicteert, de geuren zijn landelijk en de ruimte is overweldigend. Samen met een paar begeleiders en drie moeders liepen de kinderen over het bruggetje voor Martiens erf en betraden ze het boerenerf. Boer Martien nam ze gelijk mee naar de hooizolder om de kinderen de spannendste plek van de boerderij te laten zien. “Op de hooizolder is het heel spannend. Je kunt er heerlijk spelen en klauteren, maar achterin de hooizolder is het ontzettend donker”, vertelt Martien aan de kinderen. Aarzelend klimmen de kinderen via een vliertrap richting de zolder. Afwachtend en nog een beetje bang voor wat komen gaat vertelt Martien ze dat ze vrij zijn om op de hooizolder te klauteren. “De allochtone kindjes zijn op de hooizolder over het algemeen veel stiller dan de ‘witte kindjes’. Zij maken vaak een enorm kabaal, terwijl de allochtone kinderen als een groepje stil bij elkaar blijven staan en zich afvragen: wat is dit?”, aldus de boer. Maar, na tien minuten is het ijs gebroken. De kinderen klimmen van hooibaal naar hooibaal en genieten zichtbaar van al het nieuws en onbekende ze meemaken. Martien kijkt trots toe en geniet zichtbaar. Nadat Martien vertelt wat ze die dag allemaal gaan doen verlaten de kinderen opgetogen de hooizolder. Ze mogen de kalfjes voeren en dat laten ze zich niet twee keer vertellen. “Ondanks dat alles nieuw voor ze is laten we kinderen spelen met de basis, de natuur, de wereld. Dat doen ze het liefst. Hier kunnen ze wezenlijk anders spelen dan in een hoge stadsflat”, vertelt Martien.

Kalfjes voeren
De kalfjes staan allemaal apart in een kalverbox midden op het grote, modderige erf. Rustig liggen ze te slapen terwijl de toen nog zachte doch enthousiaste kindergeluiden ver van ze uit de buurt waren. Een paar minuten later kwam er een grote stoet kinderen op de kalverboxen af. “Maak de kalfjes maar wakker!”, riep Martien. Een herrie van jewelste was het gevolg. “Wakker worden!!” “Eten, eten, eten!!!” “Kom naar buiten, zhegg ik!”, dit alles samen met harde slagen op het plastic van de kalverboxen betekende bijzonder wakker worden voor de paar weken oude beesten. Ondanks het hek wat de kalveren van de kinderen scheidde deden ze gelijk een stap naar achter toen het eerste kalf kwam bekijken wie er zo’n herrie maakte. “Bahh, eng en ze hebben allemaal slijm op hun mond”, zeiden er een paar. Toen alle kalveren wakker waren mochten de kinderen grote emmers met dikke melk aan het hek rond de kalveren hangen. De eerste melk klotste al gauw over de randen van de emmer. De beesten stonden te popelen om te drinken en wanneer de tong net iets te dichtbij het handje kwam dat de emmer wilde ophangen werd er gauw een sprong naar achter gedaan. Uiteindelijk hingen alle emmers keurig, maar het omgaan met een kalf was nog erg vreemd. De kinderen renden langs de boxen en schreeuwden het uit wanneer een kalf zich bewoog. Echter, na vijf minuten durfden de eersten hun hand door het hek te steken en het kalf te aaien. Langzaamaan waren er “Aaahhsss” en “Zo liefff” te horen van de meisjes. Ook de jongens straalden en staken hun handen door het hek om de kop van een kalf te voelen. “Hiermee verbreden we hun blik. Het leven op de boerderij is niet te vergelijken met het stadsleven. We willen ze een onvergetelijk dag bezorgen”, vertelt Martien.

Toen de kalveren hun grote emmer vol melk hadden opgeslurpt vertelde Martien iets wat de kinderen niet konden bevatten. “Als je je vingers door het hek steekt beginnen de kalven erop te sabbelen, probeer het maar!” Martien deed het voor en alle ogen werden steeds groter. Niemand durfde het. “Ze bijten toch?!”, vraagt een klein meisje met zwart haar aarzelend, “ze hebben toch grote tanden?”, vraagt Mohammed. “Ze hebben alleen ondertanden en ze doen niets. Alleen maar sabbelen”, antwoordt Martien. De eerste vijf minuten werd er geen vinger door het tralies gestoken. Dat was een brug te ver. Maar, na verloop van tijd was er één jongetje, dat duidelijk gefascineerd was van de kalven en al tien minuten vol verwondering keek naar de lieve beesten, die zijn vingers door het ijzerwerk stak. De koe begon gelijk te sabbelen en de jongen lachte. Hij trok zijn vingers eruit en zijn eerste reactie was “Uhlll, kijk nou, ik zit helemaal onder het witte kwijl. Moet ik nu mijn handen wassen?” “Nee hoor, antwoordt Martien. Veeg het maar ergens aan af.” Zo gezegd, zo gedaan. “Kinderen moeten juist vies worden. Ze moeten niet opgroeien in een steriele samenleving die ze verbiedt vies te worden. Een kind moet een kind zijn en alles spelenderwijs ontdekken”, zegt Martien. Uiteindelijk deden de meeste hun vingers door het hekwerk, hoewel sommigen nog met een terughoudende blik toekeken.

Kijkend naar de kalven.

Na het voeren van de kalfjes begon het echte werk: de koeien melken in de melkput. Iedereen verzamelde zich rond de melkput. De kinderen keken bang toe en verscholen zich achter de benen van moeders en begeleiders. Enorme koeien liepen de melkput binnen en werden gepositioneerd door Martien. Het melken kon beginnen en Martien plaatste de zuignappen van het melkstel aan de spenen. Verbijsterd keken de kinderen toe hoeveel melk er uit een koe kan komen. “Kom allemaal in de melkput staan”, riep Martien. Eén voor één, nog steeds tamelijk onzeker, besloten ze zich rond Martien te scharen, vlakbij de grote koeien. Het was een betoverende ervaring voor ze. “Het is verrijkend om zo met kinderen om te gaan. Het is schitterend om te zien hoe de kinderen na verloop van tijd, met steeds minder aarzeling, rondsnuffelen op de boerderij. Voor mij het ultieme gevoel van blijdschap”, lacht Martien.

Ontdekkingstochtken
“Naast dat ik de kinderen wat wil leren, wil ik ook dat ze een leuke dag beleven. Het draait niet alleen om het leren over het boerderijleven.” Om de kinderen zelf de boerderij te laten ontdekken mogen ze in groepjes, na het melken van de koeien, aan de hand van een opdrachtenboek alles verkennen. De opdrachten zijn zeer variërend, van midden in het weiland staan met de ogen dicht om alle dierengeluiden op te vangen tot het voeren van de koeien in de grote stal. Ook mogen ze met schepnetten, staand in de natte veenbodem, proberen beestjes uit de sloot te vissen en samen met Martien in de trekker te rijden. “Er was ooit eens meisje, dat was eens in het voorjaar, die met haar groepje in het weiland eieren moest zoeken. Na afloop vroeg ze: waarom heeft u die eieren verstopt? Erg grappig, maar de kinderen moeten natuurlijk echt meer leren van het leven naast de stad.” Na elke opdracht raken de kinderen steeds meer gewend aan de basis, het platteland, tot ze alle aarzeling van zich afschudden. Met hun regenlaarzen banjeren ze door het drassige weiland, schromen ze het niet om te vallen, met stokjes in de koeienvlaaien te poeren en met hun handen in de modder te peuteren. Mohamed toont vol blijdschap zijn modderzwarte handen en vraagt geen enkele keer of hij ze moet wassen. Dat zit wel goed.

Als laatste opdracht mogen ze met de hand een grote koe melken om dit op te vangen in een beker en het te drinken. “Dit vind ik het mooist om gade te slaan. Ze ervaren een koe als een heel groot, warm, moederlijk en gemoedelijk dier. Een dier van, net als wij, 36 graden Celsius waar ze zich heerlijk aan kunnen warmen. Het dier waar hun melk vandaan komt”, vertelt Martien verheugd. Er is geen kind dat het niet durft. Vastberaden en zittend op hun knieën melken ze als een echte boer een grote koe. Naast de gemolken koe lag een zwartwitte koe. “Er hangt een hotdog uit zijn kont”, schreeuwt één van de jongens. “Nee, het is een ongeboren vrucht die uit haar achterste hangt”, legt Martien begripvol uit.

Na alle opdrachten komen de kinderen bijeen, nemen ze afscheid van de boerderij en worden ze weer met de bus terug naar huis gebracht. “Het is toch prachtig om zo de samenleving te helpen. Ik maak de nieuwe generatie bewuster van de wereld waarin ze leven en draag zo het stokje aan hun over.”

De bruine ogen van een allochtone stadsjongen.

De toekomst
Martien wil graag nog jaren doorgaan met het werken met (allochtone) kinderen om zo ook allochtonen beter op de kaart te zetten. “Noem het maar een anti-Wildersboerderij. Ik vind hem afschuwelijk.” Volgens Martien worden allochtonen in de Nederlandse samenleving niet juist behandeld. “Het succes van Wilders verklaart dat. Deels probeert hij allochtonenhaat te zaaien en hem jouw stem, jouw steun, geven verklaart de onjuiste behandeling van allochtonen.” De boerderij laat allochtonen zien wat Nederland nog meer te bieden heeft naast een samenleving die hen soms met argusogen bekijkt en laat zien dat allochtonen welwillend zijn en openstaan voor nieuwe ervaringen. “Ik merk op dat allochtonen iets ontvankelijker zijn dan Nederlandse kinderen. Vooral de meisjes, die zijn heel leergierig”, zegt Martien.

In Portengen worden de projecten positief ontvangen, er is nooit negatief gereageerd. Gelukkig maar, want Portengen heeft een speciale plek in Martiens hart ingenomen. “In Portengen worden traditionele, christelijke normen en waarden gewaardeerd. Met mekaar maak je een buurtschap. Als er ergens wat aan de hand is help je mensen of je vraagt mensen of je jou willen helpen. Ik voel me sterk verbonden met het buurtschap. Het zit in mijn hart, ik zou niet kunnen verhuizen.” De inwoners van Portengen vinden de projecten van Martien erg leuk. “Ze zeggen: hee, daar is weer een schoolklas. Het wordt heel leuk ontvangen in het buurtschap.”

Ook de schone momenten die Martien meemaakt zijn het waard om nog jaren door te gaan met kinderwerk. Zo was er ooit een Marokkaanse jongentje dat bang was en zijn hand stevig vasthield en zei: “Bhoer, U bent lievve bhoerr!” Het zijn uitspraken die Martien zijn leven lang niet zal vergeten. Wel wil Martien het ook in de toekomst beperken tot het huidige systeem: om de paar weken een schoolklas begeleiden en in de voorjaars- en herfstvakantie een groep allochtonen. “Zo kan ik in één keer al mijn energie erin steken om hun de meest memorabele dag te laten meemaken. Want dit zeven dagen per week doen zou ik niet trekken en het zou voor de kinderen zelf ook niet leuk zijn!”

De reacties van de allochtonen die de boerderij bezochten zijn tot nu toe altijd positief. “Mensen zijn heel enthousiast. Het gebeurt weleens dat je een kaart krijgt of een tekening ontvangt.”

En door uitspraken als deze, van een klein Marokkaanse jongentje: “Boer Martien, ik wou dat u mijn vader was. Dan zou ik elke dag op de boerderij kunnen spelen”, zullen er nog heel veel kansarme allochtone stadskinderen leren waar voedsel vandaan komt en ontdekken dat er zoveel meer is naast de grauwe achterstandswijken waar ze met geen mogelijkheid uitkomen.

“Werken met kinderen en ze iets leren is verrijkend. Allochtonen op de kaart zetten en ze laten zien wat de wereld te bieden heeft betekent voor mij ultieme blijdschap.” – Martien Oussoren, bijzondere boer, wereldverbeteraar en prachtig mens.

Galerij

Reportage – Waar een klein buurtschap groot in kan zijn

Van links naar rechts: Theo Mulder, Nico Zeldenrijk, Peter Hoogendoorn, Wim Kief, Arie Fokker en Willem Brouwer.

Waar in de grote, drukke stad veel mensen hun eigen buren niet kennen, is Portengen een ‘ons kent ons’-buurtschap. Het is er een droomplek voor rust- en gezelligheidszoekers. Middenin het uitgestrekte grasland leeft een mens een minder gehaast en gestrest leven. Cor van der Panne verwoordt het prachtig: “Wat je vandaag niet doet, doe je morgen wel.” Er heerst een soms mediterrane mentaliteit. In Portengen zijn de normen en waarden grotendeels traditioneel. Deze staan hoog in het vaandel. De 21e eeuwse, ruim geïnterpreteerde urbane normen en waarden zijn op het Portengense platteland niet terug te vinden. Hier zijn beleefdheid, saamhorigheid, behulpzaamheid en rust en ruimte aan de orde van de dag. Het zijn de sleutelwoorden van het buurtschap. De ijsclub is er hét symbool van. Daar kan de haastige stad van leren.

Martien Oussoren, een 61-jarige agrariër, woont al zijn hele leven in Portengen en kent het buurtschap als zijn broekzak. “Het is een buurtschap en met mekaar maak je zo’n buurtschap. Portengen kent traditionele normen en waarden. Dat vind ik prettig. Er is een eenheid en enorme saamhorigheid. Ik zou niet gauw verhuizen, dat zou ik niet kunnen. Portengen zit in mijn hart.”

“Naar de kerk gaan, koffiedrinken, iedereen kent elkaar en gezelligheid; dat zijn momenten en kenmerken van het platteland die zo prachtig zijn”, vertelt Cor van der Panne. “Ik vind het belangrijk dat je goed met elkaar omgaat en beleefd bent. Je staat voor elkaar klaar en je vormt een eenheid. Portengen is zo’n eenheid.” De inwoners van Portengen zijn blij dat ze er wonen en sommigen die er geboren zijn en waren weggetrokken, komen nu weer terug naar hun eerste thuis. Cor van der Panne zou nooit willen vertrekken. “Zolang ik hier kan wonen ga ik niet weg. Ik ga niet gauw naar het bejaardentehuis.” Ook aan ijsclub de Volharding, de Portengse ijsclub, zal Cor zijn leven lang verbonden blijven.

Elk dorp of buurtschap in de Nederlandsche polder beschikt over een ijsclub. Zo ook Portengen. De ijsclub is het middelpunt van het plaatsje, hoewel het vooral deel uitmaakt van het noordelijk deel van Portengen. Het is een belangrijke bouwsteen van het saamhorigheidsfundament. Op 21 oktober is het bestuur van de ijsclub (waaronder Arie en Willem) buiten hard aan het werk om de eigen sloot waterplantvrij te maken. Het is er een mooie dag voor: 21 graden, onvervalst nazomerweer. Met grote slootharken wordt de sloot schoongemaakt. IJsclub de  Volharding is de enige club in de polderregio met een eigen ijsbaan. Het hele bestuur zet zich in om deze winterklaar te maken. Niet alleen het bestuur zet zich in voor de club, het hele buurtschap is erbij betrokken. “De club telt zo’n 350 leden en is groeiende. Bijna het hele buurtschap is lid”, vertelt Arie Fokker, penningmeester van de Volharding. “Het is hier ook altijd gezellig. Een dikke 10. Het is een hele hechte club, we hebben bijna geen verloop. Na het schaatsen drinken we allemaal een biertje. Of een Jägermeistertje. En warme worst, erwtensoep. Laten we die dingen vooral niet vergeten, zodat het niet lijkt alsof we na het schaatsen alleen bier drinken…”, lachen Arie en Willem Brouwer, voorzitter van de ijscub.

Voorzitter Willem.

In 1918 werd de ijsclub opgericht. In het tegenwoordige clubhuis hangt een bijna antieke foto die de koude winters en nostalgische schaatssfeer van vroeger laat opbloeien. Het is een bekende club in Portengen en omstreken.

Vorig jaar is voor het eerst sinds jaren door de club een grote tocht georganiseerd. ‘De Hart van Holland Tocht’, dit werd samen gedaan met ijsclubs uit Kockengen en Spengen, nabijgelegen dorpen. Echter nam Portengen het grootste deel van de organisatie op zich.

Een prachtig voorbeeld van voor elkaar klaarstaan werd er tentoongespreid tijdens de preparatie van de grootse tocht. Leden van het bestuur liepen in de nacht voor aanvang van de tocht 25 kilometer door de zwarte nacht over het ijs, om het te controleren. Pure inzet. Ook vele leden hielpen mee. Onder andere met het schoonmaken van het ijs en het schaatsklaar maken van de faciliteiten. “Je hoeft maar wat leden te bellen en ze staan klaar om na hun werk vrijwillig te helpen. De leden zijn altijd te bereiken. Ze doen bijna alles voor de ijsclub.” Het ijs was dan ook brandschoon. Echter was er één probleem: de auto’s.

Portengen is klein, maar de tocht is enorm. Plusminus 6000 mensen startten in Portengen of schaatsten door Portengen heen. “We hebben er zo’n 3300 hier gestempeld zodat ze konden starten”, vertelt Willem tevreden. Om al deze enthousiaste schaatsers en toeschouwers kwijt te kunnen werd er gevraagd aan een boer of zijn weiland gebruikt mocht worden als parkeerplaats. Het antwoord was een volmondig ja. Men vertrouwt elkaar in Portengen veel toe. Het weiland werd door de boer in kwestie in orde gemaakt en duizenden auto’s konden parkeren. De ijsclub hief per auto een euro entree. “Met de opbrengst verrasten we de eigenaar van het land. Het is toch leuk om zoiets voor een ander te doen! Het is ook een mooi voorbeeld van hoe een buurtschap als Portengen werkt. Iedereen staat voor elkaar klaar”, vertellen de heren genoeglijk.

“Na de tochten krijgen we altijd leden erbij. Ze vinden het prachtig hoe het geprepareerd is en het sfeertje na het schaatsen trekt ze. De ijsclub is een weerspiegeling van het buurtschap: eenheid, gezelligheid en saamhorigheid.”

Door de kantine waarover de club bezit is de Volharding een unieke ijsvereninging in de polder. “Maar dat is niet het enige, wat helemaal uniek is, is de interesse in de jaarvergadering! Bij de meeste ijsclubs is een jaarvergadering een kleurloos moment. Tijdens onze jaarvergadering is de kantine stampvol. Tientallen leden kom erop af om samen een gemoedelijke avond te hebben en samen te proosten. Met de mannen drinken we natuurlijk een biertje.”

De jaarvergadering is niet het enige zeldzame wat de ijsclub organiseert. De bazaar op zaterdag 6 oktober is een bekend festijn in de regio. Van heinde en verre komen er mensen op af.  Het is een groot feest georganiseerd door de ijsclub, in een grote loods naast Nico Zeldenrijks huis op de Nijverheidsweg. Vanaf ’s avonds half negen tot ’s nachts twee uur komen mensen, jong en oud, uit de regio bijeen om een onvergetelijke avond te beleven. “De bazaar is echt iets Portengens. Dat vind je nergens meer. Het rad van avontuur is de publiekstrekker tijdens de avond”, aldus Arie. Alle feestgangers kopen lootjes, het rad krijgt een flinke zwieper en iedereen hoopt een prijs te winnen. Rare prijzen zijn er ook bij. Je kunt er dieren winnen. “Dit jaar was de hoofdprijs een pony. Maar we hebben ook weleens goudvissen, konijnen, geiten, kippen, duiven en marmotten verloot. In de stad zouden ze zeggen dat het inhumaan is, hier kan het nog”, glunderen de mannen.

“We zouden ook absoluut niet in de stad willen wonen. Hier hebben we nog de ruimte. Mensen zijn hier behulpzaam. Ik woon hier niet mijn hele leven, maar als ik hulp nodig heb staan bewoners voor mij klaar. In de stad, waar ik tientallen jaren een zaak heb gehad, ligt dit volledig anders”, vertelt Willem. “Ik heb weleens gezegd dat ik in een grachtenpand in de stad zou willen wonen, maar toch zou ik het niet willen”, vertelt Arie. “De ruimte. Die moeten we wel hebben. Een bosstreek is niets voor ons. Je moet zicht hebben en je ding kunnen doen. Hier kun je je ding doen en laten mensen je je ding doen”, verzekert Arie.

Opnieuw twee mannen die, naar het schijnt, Portengen nooit meer willen verlaten. Waar een klein buurtschap groot in kan zijn: beschikken over een hartelijke club die dient als kernelement en het samen creëren van een grootse saamhorigheid en eenheid.